‘Pluk mij!’, roepen de bramen

De bramen zijn vroeg rijp dit jaar. Hoeveel zijn (ook moreel gezien) geoorloofd om te plukken?

Door

Augustus is een fantastische maand om te wandelen en te fietsen, maar opvallend veel mensen kiezen voor kruipen en bukken. In de duinen zie ik achterwerk na achterwerk de lucht in steken. In het zand staan plastic champignonbakjes. De eigenaren van die achterwerken en bakjes blijken uit te zijn op de bloemblaadjes van de roze rimpelroos, maar ook op de knalrode, vlezige rozenbottels.

Tussen de bedwelmende geuren van struiken, kruiden en zee probeer ik de rozen te onderscheiden. Zoet? Fris? Appel? Framboos? Sorbet? Ook ik bezwijk. Ik pluk rozenblaadjes, niet meer dan in mijn lege brillenkoker passen. Thuis zal ik er rozenlimonade van maken. Er gaan ook een paar bottels mee, voor een minipotje jam. De rest laat ik hangen voor vossen, konijnen, muizen, merels en, straks weer, koperwieken, die het vruchtvlees en de zaden eten.

Eén braam is romantiek, een emmertje vol is productie draaien

Mijn favorieten staan bij de volgende bocht: bramen. In mijn hoofd zijn die vruchten onlosmakelijk verbonden met het rafelige einde van de zomer, wanneer de avonden korter worden en je voor het eerst denkt dat een vest misschien geen slecht idee is. Maar de braam heeft besloten niet op mijn jeugdherinneringen te wachten: het is nog niet eens half augustus en ze hangen er al. Zwart, glanzend en schaamteloos. ‘Pluk mij!’, roepen ze. En dat is een koud kunstje. Geen imkerpak, ladder of diploma wildbeheer nodig. Soepele knieën en een beetje levenslust volstaan. En een dikke huid, want de braam is een anarchist: stekelig, ongedisciplineerd en volstrekt ongeschikt voor wie van orde houdt.

Bovendien kent iedere bramenstruik één natuurwet: de grootste, zwartste en sappigste braam hangt altijd nét te hoog, te ver, te prikkelig. Daar sta je dan. Eén voet in het zand, één knie tussen de brandnetels, een prikkende braamtak in je nek en je lijf in een stand waarvoor een fysiotherapeut onmiddellijk een behandelplan zou opstellen. Alles voor die ene perfecte braam. En dan is daar weer die ene vraag, net als bij de rozenblaadjes en de rozenbottels: hoeveel? Eén braam is romantiek, een emmertje vol is productie draaien.

Nooit eerder heb ik de aandrang gevoeld veen in mijn fietstas te stoppen, maar het is goed om te weten waar de grens ligt

Nederland heeft er vanzelfsprekend regels voor. Het wegnemen van onder meer klei, bagger, ongesneden veen, mest, zoden, wier, biezen, mos en ongeplukte of afgevallen boom- en veldvruchten kan stroperij zijn. Ik vind vooral dat ongesneden veen geruststellend. Nooit eerder heb ik de aandrang gevoeld veen in mijn fietstas te stoppen, maar het is goed om te weten waar de grens ligt.

Voor bramen ligt die grens best ingewikkeld. Soms wordt plukken voor eigen gebruik gedoogd. Maximaal 250 gram, oftewel één champignonbakje vol. Niet: pluk met mate. Niet: laat wat over voor de vogels. Nee: één bakje. Dat werpt een ander licht op al die achterwerken: braaf. Het morele vraagstuk blijft ondertussen hetzelfde. Die braam hangt daar niet voor mij. Misschien sta ik nu op het ontbijt van een merel te kauwen, want natuurlijk kan ik het niet laten en steek ik drie dikke bramen in mijn mond. Juridisch mogelijk onverstandig, maar zonder corpus delicti lijkt vervolging me lastig. De rest laat ik hangen.

In de column ‘stadsgroen’ legt Wendy Hendriksen het groen van de stad bloot.

Standaardportret
Bekijk meer van