Column: Het epicentrum van een ambtelijke catwalk
Een Haags zomerfenomeen: rond het middaguur stroomt het centrum vol met ambtenaren. Vooral hun kledingkeuze verraadt ze meteen, schrijft columnist Christiaan Weijts.
Er zijn fenomenen die in geen enkele andere stad kunnen bestaan. Dit is er eentje dat zich alleen voordoet bij mooi weer, en begint om klokslag twaalf. Aan de Turfmarkt is het alsof er onder aan de ministerietorens een sluis wijd opengaat. Kantoorvloeren, twee keer 38 verdiepingen, stromen leeg.
Daar gaan ze, langs de beveiliger bij de opening in het hek. Lunchpauze. Wat me steeds weer verrast is de kleding. Wie van niets weet, zou denken dat hier een spontane modeshow wordt gehouden. Een flashmob van zomerse werkkleding – jurken, broekpakken, knisperende overhemden. Dat ruist maar en dat wappert – pastel, linnen, beige.
De mannequins zijn vooral young professionals. In de bloei van hun leven. Een uur lang verspreiden ze zich in het centrum. Eind augustus: ik had verwacht dat de ambtenarij in een lome zomerslaap gedompeld zou zijn, maar nee. De Spar City aan de Korte Poten is alweer gewoon het epicentrum van de ambtelijke catwalk. Voor de ingang staat een kringetje te kletsen. Binnen groeit de rij al gauw tot achter in de winkel. Iedereen staat er met één versbereid broodje en een flesje drinken.
Natuurlijk draait de ambtenarij door. Wie anders moet er ‘een webportaaltje bouwen’, ‘gewoon kijken wat er al is aan goede voorbeelden op Sociale Zaken’ en ‘vooraf aan de voorkant bepalen wie er toegang heeft’?
De stroom mengt met die van de toeristen op de manier waarop water en olie dat doen
Ik heb weleens gehoord dat het etiquette is om tijdens de lunch niet over werk te praten. Toch zijn dit de flarden die ik opvang, tussen die Spar en de Hofvijver. Een man in een linnen shirt: “Als je daar in de werkomschrijving niks over zegt, dan krijg je alleen maar mensen die… nou ja…” Waarop de vrouw naast hem knikt, en aanvult: “Het sociale kapitaal wordt óók niet echt opgezocht.”
De stroom mengt met die andere, die van de toeristen, maar dan op de manier waarop water en olie dat doen: ze blijven onmiskenbaar zichzelf. Dat zit hem niet alléén in de toegangsbadges, die sommigen met een sleutelkoord om hun nek dragen, anderen vastgeklipt aan een broeklus. Het is ook niet alléén het feit dat de toerist altijd een tas draagt en de ambtenaar alleen die lunch draagt, losjes in de handen. De ambtenaar kijkt niet rond. Maar het voornaamste is toch die kleding.
Ze zijn terug van vakantie, maar nog niet écht aan het werk. Dit is een dag van bijkletsen, vakantieverhalen, foto’s. Die ene bistro, dat kleine hotelletje, die abseiltocht. Natuurlijk zijn er ook de memo’s, memoranda, maar nog niet echt, niet vandaag. Vandaag zoekt men het sociale kapitaal wel echt op.
Ze zal ingewijd worden in de subtiele hiërarchieën die je hier ziet
“Heb jij die nieuwe collega al gezien? Ik vind dus dat zij heel erg op die Dinky lijkt.”
Langs de Hofvijver lopen drie vrouwen. Voor de jongste, midden twintig, is het duidelijk de eerste werkdag. Kijken, nadoen, net te hard om grappen lachen. Haar jasje – grijs geruit, en zo nieuw dat je er een prijskaartje aan verwacht – oogt te warm en lichaamsvreemd.
Ze zal ingewijd worden in de subtiele hiërarchieën die je hier ziet. Tussen de mannen in spijkerbroek met hun supermarktbroodjes in cellofaan en die in verse, lakenwitte hemden en nette pantalons, die een bruine zak dragen met broodjes van Lusso naast Des Indes. Meiden met simpele Jumbo-salades, dames met Dopplerfles en eigen broodtrommel. Het betekent allemaal iets. Zelfs de plaats van die toegangspas lijkt veel meer te zijn dan een detail, maar dat bestaat alleen in de bovenwereld, waar ze om één uur weer naar terugkeren. Er komt een moment dat de straten leeg zullen blijven, de mannequins in winterkleding door de bedrijfskantine schuifelen. Maar niet vandaag.