Opinie: ‘Stad heeft zorgplicht bij huisvesting van studenten’

Den Haag kan niet agressief internationale studenten werven en tegelijk accepteren dat zij worden uitgebuit op de woningmarkt, vindt Marit Cecilie.

Door

Den Haag presenteert zich graag als internationale stad. Een stad van vrede, recht, kennis en kansen. Universiteiten en hogescholen werven actief studenten van over de hele wereld en nodigen jonge mensen uit om hier hun toekomst op te bouwen. Maar wat treffen die studenten eigenlijk aan wanneer ze aankomen?

Afgelopen augustus reden wij vanuit Noorwegen naar Den Haag om een student – mijn zoon – aan het begin van zijn studie af te zetten. Zoals veel internationale studenten had hij via een organisatie die verbonden was aan zijn onderwijsinstelling woonruimte geregeld. Vier jonge mannen zouden samen een appartement delen voor bijna 3800 euro per maand.

Wat hen achter de voordeur wachtte, was geen studentenhuisvesting, het was een schande. Het appartement was vies, versleten en duidelijk verwaarloosd. Er lagen uitwerpselen van knaagdieren op de vloer en zelfs in de meubels. De studenten hadden vooraf nota bene extra betaald voor schoonmaak.

 

Ongemeubileerde kamers worden voor vier maanden verhuurd voor 700 tot 800 euro per maand alsof dat volkomen normaal is

 

Terwijl hun studentenleven in Den Haag begon, stonden zij voor de enorme taak om schoon te maken, reparaties uit te voeren en het appartement enigszins bewoonbaar te krijgen, terwijl de huisbaas onbereikbaar was. Daarvoor moesten zij bijna 1000 euro per persoon per maand betalen. En toch mochten zij zich nog gelukkig prijzen; ze hadden tenminste een plek.

Wanhoop

Nu loopt het tijdelijke contract af en begint de zoektocht opnieuw. Wat studenten aantreffen, is geen normale woningmarkt meer. Het is een systeem dat draait op wanhoop. Studenten moeten abonnementskosten betalen om überhaupt op kamersites te kunnen reageren. Honderden mensen concurreren om piepkleine, te dure kamers. Nepadvertenties met door AI gegenereerde foto’s lokken wanhopige studenten naar woningen die niet bestaan. Bezichtigingen eindigen bij kamers met schimmel, vochtproblemen, schade, ontbrekende vloeren en ‘keukens’ die uit niet meer dan een aanrechtblad op twee kastjes bestaan.

Ongemeubileerde kamers worden voor vier maanden verhuurd voor 700 tot 800 euro per maand alsof dat volkomen normaal is. Terwijl de meeste studenten leven van leningen die zij jarenlang moeten terugbetalen. Zij hebben geen financiële buffer om oplichting, abonnementskosten, torenhoge huren en steeds nieuwe borgsommen op te vangen. Toch verdient inmiddels een complete markt aan precies die kwetsbaarheid. Wanhoop is een verdienmodel geworden.

 

Woningnood is steeds vaker een excuus om omstandigheden te accepteren die nooit normaal hadden mogen worden

 

Natuurlijk is er een breder woningtekort in Nederlandse steden. Niemand ontkent dat. Maar woningnood is steeds vaker een excuus om omstandigheden te accepteren die nooit normaal hadden mogen worden. Het woningtekort rechtvaardigt geen woekerhuren, schimmel, onveilige woonomstandigheden of bedrijven die winst maken dankzij de wanhoop van studenten. Op een gegeven moment is ‘woningnood’ niet langer een verklaring, maar een politiek schijnargument.

Verantwoordelijkheid

Universiteiten kunnen niet internationale studenten blijven werven en zich tegelijkertijd distantiëren van de woonomstandigheden waarmee diezelfde studenten worden geconfronteerd. Onderwijsinstellingen werken samen met huisvestingsorganisaties, verwijzen studenten door naar platforms en fungeren als tussenpersoon richting de particuliere huurmarkt. Dat schept verantwoordelijkheid – niet alleen voor het aantrekken van studenten, maar ook voor de omstandigheden waarin zij terechtkomen.

Ook andere landen kampen met woningtekorten. In Noorwegen staat studentenhuisvesting eveneens onder druk, maar daar wordt huisvesting nog steeds gezien als een maatschappelijke verantwoordelijkheid en niet uitsluitend als een commerciële markt. Studentenorganisaties bouwen en beheren actief woningen, omdat toegang tot onderwijs niet los kan worden gezien van fatsoenlijke leefomstandigheden. Dat besef lijkt in Den Haag steeds verder verdwenen.

 

Studenten vragen niet om luxe. Zij vragen om het absolute minimum

 

Ondertussen blijven universiteiten Den Haag promoten als aantrekkelijke internationale studentenstad. Moderne campussen. Internationale ambities. Wereldwijde kansen. Maar over de werkelijkheid buiten de collegezalen wordt opvallend weinig gezegd.

Wegkijken

Een stad kan niet agressief internationale studenten werven en tegelijk stilzwijgend accepteren dat zij direct bij aankomst worden uitgebuit op de woningmarkt. Als dit is hoe Den Haag de studenten ontvangt die het actief uit de hele wereld aantrekt, dan beginnen de internationale ambities van de stad steeds minder te lijken op openheid en kansen en steeds meer op georganiseerd wegkijken.

Studenten vragen niet om luxe. Zij vragen om het absolute minimum: een schone kamer, een functionerende keuken, een veilige woonomgeving en enige stabiliteit tijdens hun studie. Een stad die economisch en academisch profiteert van internationale studenten draagt ook verantwoordelijkheid voor de omstandigheden waarin die studenten moeten leven. Op dit moment schiet Den Haag daarin ernstig tekort.

Marit Cecilie (Stavanger, Noorwegen) is ouder van een internationale student in Den Haag.

Verantwoording

De hoofdredactie draagt geen verantwoordelijkheid voor de inhoud van de opiniestukken. Die ligt bij de auteurs.

Standaardportret
Bekijk meer van